14 oktober 2026
Brandveiligheid: wetgeving en ruimte voor een passende inrichting
Brandveiligheid speelt in een zorgomgeving een belangrijke rol. Tegelijk wil je dat een woonzorggebouw een prettige en huiselijke omgeving is voor bewoners. Dat lijkt soms lastig te combineren, bijvoorbeeld wanneer het gaat om de inrichting van gangen en andere verkeersruimten. Toch betekent brandveilig inrichten niet automatisch dat gangen leeg moeten blijven of dat een omgeving sober moet worden. Welke regels gelden en welke mogelijkheden er zijn, hangt onder andere af van de woonvorm, de functie van een ruimte en de manier waarop deze juridisch is aangemerkt. Juist daarom is het belangrijk om per situatie te kijken wat nodig en mogelijk is.
Veiligheid per ruimte
Voor gemeenschappelijke verkeersruimten in woongebouwen waardoor een vluchtroute voert, gelden specifieke regels. Artikel 6.15a van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bepaalt dat hier geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn. Onder andere meubilair, fietsen, scootmobielen en decoratie worden daarbij genoemd. Voor meubilair en decoratie gelden uitzonderingen wanneer deze bijvoorbeeld van metaal, steenachtig materiaal of glas zijn, of wanneer het materiaal aan de genoemde eisen voor onbrandbaarheid of brandklasse A1 voldoet.
Daarbij is het belangrijk om onderscheid te maken tussen een gemeenschappelijke en een gezamenlijke ruimte. Een gemeenschappelijke ruimte wordt gebruikt door meerdere afzonderlijke gebruiksfuncties, terwijl een gezamenlijke ruimte binnen één gebruiksfunctie door meerdere gebruikers of wooneenheden wordt gedeeld.
In andere woon- en verblijfsruimten gelden niet voor ieder onderdeel van het interieur dezelfde specifieke eisen. Dat betekent niet dat brandveiligheid daar minder belangrijk is. Juist door het dagelijkse gebruik en de kwetsbaarheid van bewoners is het belangrijk om bewust te kijken naar materiaalgebruik, stoffering, raambekleding en meubilair. Daarbij kunnen aanvullende brandtesten en materiaaleigenschappen helpen om onderbouwde keuzes te maken.
Verschil tussen een gezamenlijke -en een gemeenschappelijke vluchtroute
Voor zorgorganisaties is het belangrijk om goed in kaart te brengen hoe de afdelingen en ruimten binnen een locatie zijn ingedeeld. Welke gangen zijn gemeenschappelijk, welke ruimten zijn gezamenlijk en waar lopen de vluchtroutes? Bepalend is de gebruiksfunctie van het betreffende deel van het gebouw, is het een zorgclusterwoning of een groepszorgwoning: een verkeersruimte die wordt gedeeld door meerdere gebruiksfuncties is gemeenschappelijk, een verkeersruimte binnen één gebruiksfunctie is gezamenlijk. Pas met die indeling kun je beoordelen welke regels en inrichtingsmogelijkheden van toepassing zijn.
Zorgclusterwoningen
Hier kan sprake zijn van een gemeenschappelijke verkeersruimte, omdat de gang meerdere gebruiksfuncties verbindt. Artikel 6.15a van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is dan van toepassing, mits het gebouw als woongebouw wordt aangemerkt. Gangen moeten dan in principe vrij blijven van brandgevaarlijke objecten, tenzij een uitzondering geldt of een gelijkwaardige oplossing mogelijk is.
Groepszorgwoningen
Binnen de woning gaat het doorgaans om een gezamenlijke verkeersruimte, omdat alle ruimten binnen één gebruiksfunctie (de groepszorgwoning) vallen. Artikel 6.15a is daar niet op dezelfde manier van toepassing, waardoor er meer ruimte is om gangen in te richten. Vrije doorgang en brandveilig gebruik blijven wel belangrijk.
Wat is het verschil tussen een zorgclusterwoning en een groepszorgwoning?
Beide zijn woningen waarin zorg wordt geboden. Het verschil zit in welke vorm van wonen er wordt toegepast en hoe de bewoners samenleven.
- Zorgclusterwoning: een woning voor zorg aan minstens één cliënt die zelfstandig woont, al dan niet met een partner of gezin. Iedere cliënt heeft dus een eigen huishouden. Er is pas spraken van een zorgclusterwoning wanneer het gaat om meer dan 4 woningen. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld “aanleunwoningen” of geclusterde woonvormen met VPT. Zijn het minder woningen dan is er sprake van een gewone woonfunctie, ook dan is art.6.15a van toepassing.
- Groepszorgwoning: een woning voor zorg aan minstens vijf cliënten die samen één huishouden voeren. Denk bijvoorbeeld aan woonafdelingen voor mensen met dementie of een woongebouw voor mensen met een geestelijke handicap.
Wil je in een gemeenschappelijke verkeersruimte een andere oplossing toepassen dan de voorgeschreven maatregel, dan kan in bepaalde situaties worden onderzocht of een gelijkwaardige maatregel mogelijk is. De Omgevingswet biedt hiervoor ruimte: een andere oplossing kan worden toegestaan als daarmee ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als de voorgeschreven maatregel beoogt.
Van wetgeving naar dagelijkse praktijk
Wetgeving vormt een belangrijk kader, maar zegt niet alles over wat in de dagelijkse zorgpraktijk een veilige inrichting is. In woon- en verblijfsruimten speelt daarom ook de doelgroep een belangrijke rol. Hoe zelfredzaam zijn bewoners? Kunnen zij bij brand zelfstandig een ruimte verlaten of zijn zij afhankelijk van medewerkers? En hoeveel tijd en ondersteuning is nodig om hen in veiligheid te brengen?
Daarbij is het ook belangrijk dat er voldoende mensen beschikbaar en aangewezen zijn om een ontruiming bij brand snel en veilig te laten verlopen.
Op basis van de doelgroep, de mate van zelfredzaamheid en de manier waarop de ontruiming is georganiseerd, kan een zorgorganisatie bepalen welke aanvullende keuzes nodig zijn. Denk aan duidelijke afspraken voor medewerkers en het bewust kiezen van materialen en meubilair die passen bij het risico en gebruik van de ruimte. Bij minder zelfredzame bewoners kan bijvoorbeeld worden gekozen voor materialen met betere brandvertragende eigenschappen, ook wanneer dit niet rechtstreeks wettelijk verplicht is.
Brandveiligheid meenemen in het ontwerp
Een goed startpunt voor brandveilig inrichten is het ontwerp van de ruimte. Daarbij is niet alleen belangrijk welk meubilair wordt gekozen, maar ook waar het wordt geplaatst. Vrije doorgangen, vluchtroutes, de positie van meubels en de manier waarop bewoners en medewerkers zich door de ruimte bewegen, spelen daarbij een belangrijke rol.
Door hier vanaf het begin rekening mee te houden, kan per ruimte een inrichting worden gemaakt die past bij het dagelijks gebruik en het gewenste veiligheidsniveau.
Brandveilige meubels
Brandveilig inrichten begint bij het ontwerp van de ruimte, maar stopt daar niet. Ook de keuze voor meubilair en materialen speelt een belangrijke rol. Zeker in woon- en verblijfsruimten, waar niet voor ieder meubel een specifieke wettelijke eis geldt, is het belangrijk om te kijken naar het brandgedrag van materialen en de geschiktheid voor de doelgroep en het dagelijks gebruik.
Geteste materialen
Voor gestoffeerd meubilair geldt in Nederland geen algemene wettelijke certificeringsplicht voor brandveiligheid. Wel kunnen materialen en materiaalcombinaties worden getest op hun brandgedrag. Zo kan worden gekeken naar NEN-EN 1021-1 en 1021-2 of naar de zwaardere Britse Crib 5-test. Deze testen geven inzicht in hoe een combinatie van bekleding en vulling reageert op verschillende ontstekingsbronnen.
Brandveilig inrichten betekent dus niet automatisch sober of onpersoonlijk inrichten. Door per ruimte te kijken naar de geldende eisen, het dagelijkse gebruik en de gekozen materialen, kunnen veiligheid en huiselijkheid naast elkaar bestaan. Zo ontstaat een zorgomgeving die niet alleen veilig is, maar waarin bewoners zich ook prettig en thuis kunnen voelen.
Wil je weten wat er binnen jouw zorglocatie mogelijk is?
We denken graag mee over een inrichting waarin brandveiligheid en huiselijkheid samenkomen.
Neem hier contact met ons op.